Discussie

Health claims: een kwestie van smaak

Spreekrecht en identiteit in gesprekken over health claims

– Petra Sneijder

Wetenschappelijke expertise wordt nog altijd hoog gewaardeerd en – vaak met recht – worden wetenschappelijke feiten beschouwd als valide en betrouwbaar. De wetenschappelijke feiten worden echter ook steeds vaker uitgedaagd door andere vormen van kennis. Kijk bijvoorbeeld naar vaccinatie experts die onder vuur liggen vanwege het achterhouden van bijwerkingen, of naar mensen die argwanend kijken naar het gebruik van zoetstoffen en e-nummers en dit laten horen op websites en in forums.

Health claims
Een van de omstreden gebieden betreft de health claims waarmee ‘functional foods’ in de markt worden gezet. Deze wetenschappelijke claims over de gezondheidsvoordelen van functionele voedingsproducten roepen reacties op van de consument-burger, en die reacties laten ons zien wat er precies op het spel staat in de relatie tussen voedingstechnoloog en consument-burger. Wat uit ons onderzoek naar interactie in groepsinterviews over innovatieve voeding blijkt, is dat het de consument-burger niet zozeer om de nutritionele feiten gaat, als wel om de eigen spreekrechten en identiteit. In de interactie laten consument-burgers zien dat zij niet zozeer de health claims zelf afwijzen, als wel de suggestie dat consumenten deze claims onmiddellijk zouden moeten accepteren en een blind vertrouwen in de voedingsindustrie zouden moeten hebben (en dus goedgelovig zijn in plaats van kritisch).

Eigen keuzecriteria
Een van de manieren waarop de deelnemers reageren op de vraag of men light producten of groene thee drankjes (bedoeld om mee af te vallen) zou gebruiken, is het belang van smaak te benadrukken. In plaats van te spreken over de gezondheidsvoordelen van het specifieke product, brengt de geïnterviewde een evaluatie van de (vermoedelijke) smaak van deze producten en suggereert dat dit voor hem of haar de reden is het product al dan niet te kopen. Hiermee maken consument-burgers zich als het ware immuun voor de health claims van de producten en worden deze claims irrelevant gemaakt.

Een kwestie van geloven
Consument-burgers spreken over health claims alsof men kan kiezen hierin te geloven of niet. Door te zeggen ‘ik geloof niet in dingen als light mayonaise’, weerlegt een deelneemster bijvoorbeeld het idee dat zij een goedgelovige consument is die alles zomaar aanneemt of zich laat misleiden. Tegelijkertijd geeft ze daarmee aan dat de manier waarop het product aan haar gepresenteerd is deze goedgelovigheid lijkt te eisen, en daarmee wordt het ondermijnen van deze identiteit een relevante handeling.

Van wie is het probleem eigenlijk?
In de interviews verwijzen deelnemers herhaaldelijk naar het idee dat functionele voeding een vervanging is voor echte oplossingen. Deelnemers aan de interviews claimen de problemen die de aanleiding vormen voor het ontwikkelen van deze producten als hun eigen kennisterrein, bijvoorbeeld door alternatieve betere oplossingen te bespreken en te verwijzen naar functionele voeding als een inferieure oplossing.

Rekening houden met kennisdomeinen en identiteiten
Samenvattend bieden consument-burgers in interactie over innovatieve voeding niet perse weerstand aan de health claims, maar eerder aan de eis van blind vertrouwen die wordt opgeroepen door deze health claims, waarmee hen het recht om hierover zelf te beslissen wordt ontnomen. Door bepaalde domeinen te claimen als eigen terrein nemen consument-burgers dit recht terug, evenals het recht kritisch te zijn en te articuleren wat voor hen belangrijk is. Ervaringen uit het alledaagse leven zijn belangrijk wanneer het aankomt op het kiezen van voeding en worden niet voldoende in acht genomen door de voedingsinnovators. In dialogen over voedingsinnovatie tussen verschillende stakeholders, zouden facilitators rekening moeten houden met de manieren waarop consument-burgers spreekrecht verwerven en de interactionele doelen die zij daarmee bereiken, zoals het opbouwen of weerleggen van een bepaalde identiteit.

Deze tekst is een vertaalde en ingekorte versie van

Sneijder, P. and H. Te Molder (submitted manuscript). ‘I don’t believe in light mayonnaise’: Epistemics in action in consumer-citizen talk on health claims.

 

———————————————————————————-

Tragiek van het E-nummer

Zachte zorgen voor een publieke dialoog over voedsel

– Dirk Haen

Het E-nummer heeft iets tragisch: ooit geboren als kenmerk van betrouwbare en veilige voeding, slaagt het er niet in om goede naam te maken in de wereld van voeding. Al meer dan dertig jaar kampt het E-nummer met een imagoprobleem. Waarom zijn veel consumenten wantrouwig tegenover conserveermiddelen, en kunstmatige kleur-, geur-, en smaakstoffen? En hoe komt het dat dit wantrouwen zo hardnekkig blijkt?

Het eenvoudige antwoord laat zich raden: omdat de consument zich zorgen maakt over de effecten van E-nummers op zijn gezondheid. De levensmiddelentechnoloog zou daar aan toevoegen: omdat consumenten nu eenmaal weinig begrijpen van E-nummers. “E” verwijst immers naar de Europese veiligheidsstandaarden waaraan een stof moet voldoen voordat ze wordt toegevoegd aan levensmiddelen. Een E-nummer zou dus per definitie veilig zijn.

Moet de consument dan meer voorlichting krijgen? Dat ligt voor de hand, maar de kritische consument heeft al (te)veel informatie voor handen. Op welke informatie kan hij vertrouwen? Bovendien, geeft die informatie wel antwoord op de juiste vragen? Sommige zorgen gaan niet alleen over de gezondheidsrisico’s zelf, maar ook over de wijze waarop technologen en besluitmakers met risico’s omgaan. Burgers verlangen geen technische uitleg maar publieke rekenschap: Wat weten we nog niet zeker, wat leren we van onze fouten, hoeveel risico zijn we bereid te nemen, en wat krijgen we daarvoor terug? Dit zijn niet alleen technische maar ook politieke vragen.

Spagaat
Misschien moeten die E-nummers dan maar helemaal verdwijnen? Voedseltechnologen zien met lede ogen aan hoe, op initiatief van de marketingafdeling, E-nummers uit producten verdwijnen om de grillige klant te behagen. Daarmee wordt de discussie over de veiligheid van een bepaalde toevoeging niet aangegaan, klagen ze, terwijl de gezondheid geheel niet in gevaar is. Onterecht wordt zo het beeld bevestigd dat er iets mis zou zijn met E-nummers. Unox werd bijvoorbeeld in 2008 door een voormalige werknemer voor de Reclamecode Commissie gesleept naar aanleiding van de campagne Eerlijk is heerlijk. De fabrikant vermeldde trots dat er in haar rookworst ‘geen E teveel’ zit.

De klacht werd afgewezen, maar is een treffend voorbeeld van de spagaat waarin de levensmiddelenindustrie zich bevindt: enerzijds kan ze trots zijn op de ongekende mogelijkheden die ze technologisch in huis heeft, anderzijds dient ze zich te schikken naar de angsten en verlangens van de consument. Het weglaten van E-nummers suggereert dat de klant nog altijd koning is die geen tegenspraak duldt. Zo worden zowel technologen als consumenten niet serieus genomen. Voedseltechnologen wijzen erop dat dit op termijn geen duurzame strategie kan zijn en voor het wantrouwen geen oplossing biedt. Daarin hebben ze gelijk: deze strategie ontneemt techniekontwikkelaars en producenten de kans om rekenschap af te leggen en de dialoog met consumenten aan te gaan.


Zachte zorgen
De steeds terugkerende discussie over E-nummers beperkt zich al snel tot gezondheidsrisico’s, maar het is een misvatting dat de burger zich alleen daarover zorgen maakt. In deze context is het zinnig om een groep consumenten onder de loep te nemen die regelmatig over het hoofd wordt gezien door beleidsmakers en voedseltechnologen. Het is een groep met zorgen die verder gaan dan “harde risico’s” alleen: ze bekommeren zich om gevolgen van levensmiddelentechnologie die doorgaans als subjectief of vaag worden aangemerkt maar wel reëel en voelbaar zijn.

De aanwezigheid van E-nummers in ons voedsel is natuurlijk niet alleen het resultaat van technische afwegingen en politieke keuzes ten aanzien van risico. Economische afwegingen spelen evenzeer een rol. Als de fabrikant bijvoorbeeld kunstmatige smaakversterkers gebruikt in plaats van kruiden levert dat een goedkoper product op voor de consument. Daarnaast zijn er esthetische keuzes gemaakt: aardbeienvla moet mooi roze, drinkyoghurt lekker zoet zijn. Bovendien maken E-nummers een bepaalde levensstijl mogelijk. Dankzij conserveermiddelen hoeven we slechts een keer per week boodschappen te doen. Diepvriespizza’s en kant-en-klaar-maaltijden faciliteren een snelle hap voor de televisie. En als we dan toch koken, besparen pakjes, zakjes en bouillonblokjes ons vele uren in de keuken.

Zulke voorbeelden laten zien dat E-nummers hun invloed ook buiten de keuken doen gelden en een bepaalde opvatting van het goede leven ondersteunen of zelfs aanmoedigen. E-nummers reflecteren indirect dus ook culturele, esthetische en ethische keuzes. De filosoof Tsjalling Swierstra noemde, in zijn oratie in 2011, de gevolgen van dit soort keuzes rondom technologie soft impacts: ‘niet “soft” omdat ze onbelangrijk zouden zijn, maar omdat ze zo worden voorgesteld door de huidige instituties die er nog geen raad mee weten.’

Een bredere dialoog
Het zijn precies deze esthetische, culturele en ethische keuzes waarover een steeds grotere groep consumenten zich zorgen maakt. Zij klagen over smaakvervlakking, over het verdwijnen van culinaire tradities, en over een nieuwe generatie die niet weet wat ze proeft. Ze benadrukken het plezier dat zij zelf halen uit uitgebreid koken en tafelen, en het sociale en opvoedkundige belang van de gezamenlijke maaltijd. Terecht of niet, uit dit soort geluiden spreekt de behoefte aan een verfijnde eetcultuur waarin eten meer is dan brandstof. Burgers zetten vraagtekens bij de wijze waarop voedseltechnologie een eenzijdige betekenis lijkt te geven aan onze relatie met voedsel: is gemak, efficiëntie en standaardisatie wel wat wij willen?

Als we willen begrijpen waarom het wantrouwen ten aanzien van E-nummers zo hardnekkig blijft, moeten we die zachte zorgen dus op z’n minst serieus gaan nemen. Dat vraagt om een bredere dialoog over wat “goed eten” is, wat we van de levensmiddelenindustrie en van consumenten mogen verwachten, en welke rol belangenorganisaties en de overheid daarin zouden kunnen vervullen.

Deze tekst is een vertaalde en ingekorte versie van
The Paradox of E-Numbers: Ethical, Aesthetic, and Cultural Concerns in the Dutch Discourse on Food Additives. Journal of Agricultural and Environmental Ethics. Published online: 3 February 2013.

—–